
![]()
De geschiedenis...
Klik op het jaartal om snel een bepaalde passage terug te vinden
Naar aanleiding van de herdenking 125 jaar brandweer Staden in 1993, werd de geschiedenis van het korps neergeschreven door de toenmalig korpssecretaris Adj. Gilbert Roose, en uitgegeven in een brochure die aan alle huisgezinnen in Groot-Staden werd bedeeld.
125 jaar terug de geschiedenis ingaan is niet zomaar een herinnering.
Gelukkig was ter gelegenheid van het eeuwfeest van het
Stadens brandweerkorps, in 1968, ook een brochure samengesteld. Daarin
had wijlen Erebevelhebber Polidoor Billiet reeds 100 jaar brandweerbestaan
uitgepluist en neergeschreven.
Zo weten we dat, dank zij zijn opzoekingen in de Koninklijke Albertina Boekerij,
volgens een "Inventaire Analtique" opgemaakt voor de Kanselarij Ieper op 20
augustus 1647, Staden in de 17de eeuw reeds een belangrijke gemeente moet
geweest zijn. Getuige de Burcht van Staden ('t oud Kasteel), een tiental
heerlijkheden en de nog minstens 25 'lenen'.
Toentertijd, en dat is ongetwijfeld voor de jeugd zich
moeilijk voor te stellen in deze moderne tijd van elektronica en
spitstechnologie, dat nog niet met een simpele vingerknip overal waar men wil
voor verlichting kan worden gezorgd, laat staan het gebruik van alle
verwarmingsmogelijkheden en allerhande elektrische apparatuur; maar een paar
eeuwen geleden echter bestonden lampen uit een potje gevuld met koolzaadolie.
Bovenaan dit potje zat een buisje waarin een 'kous' stak. Deze zoog de olie op
die aan het boveneinde voor een toortsvlammetje zorgde. Rekening houdend met de
materialen waarmee de huizen waren gebouwd en het steeds open vuur, een zeer
gevaarlijke situatie voor brand.
Aldus vermelde K. De Ceuninck in zijn boek "Staden eertijds en hedendaags": "Op den 9 Mei
1720 brandt er eene
geheele reke huizen af, op de plaatse aan de Westkant van de Ieperstraete door
de schuld van eenen kleermaker die, uit eenen bruiloft dronke 't huis komende,
het vier met zijn lampe in zijn bedde stak. Van Vossem's huis alleen blijft
staan."
Uit een vroegere cursus voor brandweerofficier leren we dat de franse Keizer Napoleon I, die ook over onze gouwen het bewind voerde, bij dekreet van 16-24 augustus 1790 de organisatie voor brandbestrijding en -voorkoming liet vastleggen. Hierdoor werden de steden en gemeenten verplicht zich voorzorgsmaatregelen te nemen tegen brand. Ik citeer: "...de zorg om, door gepaste maatregelen te voorkomen, en door uitreiking van de nodige hulpmiddelen te doen ophouden, de ongevallen en openbare rampen, zoals brand...". Niet alle gemeenten waren bij machte, of wilden een eigen brandweerkorps oprichten. Baron Ruzette, gouverneur van West-Vlaanderen spoorde overal aan om pompierkorpsen te stichten. Vooral in de Leiestreek in die periode, maar ook in Staden werd aldus in 1868 het Gemeentelijk Vrijwillig Brandweerkorps gevormd.
Het ontstaan
De eerste Stadense pompiers waren: Charles Decadt, Paul Deltombe, Pieter
Vanlauwe, Charles Bal, August Deconinck, Henri Astaes, Benoit en Petrus Vanheule,
Petrus Verhulst en Evarest Samyn. Hiervan was Charles Decadt de eerste
kapiteinbevelhebber. Hij was één van de 16 kinderen van Pieter Jacobus Decadt en
Celestra Vroman; geboren te Staden op 3 maart 1820. Hij werd tot
bevelvoerder gekozen omwille zijn afkomst. De Decadt's waren immers van oudsher
molenmakers en gezien de vele windmolens er toenertijd overal gebouwd werden,
stonden ze bekend om hun roekeloosheid en onvervaarde stoutmoedige klimmers.
Door zijn huwelijk met Amelia Nathalia Mestdag was hij bovendien een welstellend
burger. Voor de pompiers een groot voordeel daar die anders van de gemeente niet
te veel geldelijke steun moesten verwachten. Na weduwnaar te zijn geworden huwde
hij later met Romanie Couchez, een molenaarsdochter uit Zarren. Charles Decadt
bleef commandant tot aan zijn overlijden op 29 augustus 1901.
De merkwaardigste brand uit zijn ambtstermijn was op 12 november
1884,
toen bij pompier Rene Verhulst, op de wijk 'de Roker', brand uitbrak waarbij
diens hele huis en alle bijgebouwen in de vlammen opgingen.
Intussen was Richard Deconinck tot het korps toegetreden. Deze (ook al) rijke vrijgezel, geboren in 1842, werd de tweede bevelhebber en werd bijgestaan door twee luitenanten. Er waren vier klaroenblazers en een trommelaar, aangesteld om bij brand de manschappen op te roepen. Ook iedere eerste zondag van de maand in de vroege ochtend ging dit vijftal rond in de dorpskom om de spuitgasten voor de maandelijkse oefening op te roepen. Die oefeningen gingen meestal door in de Sint-Jansstraat nabij de daar staande gemeentepomp. De brandweerpomp was immers niet zelfaanzuigend, met emmers moest het water in een metalen bak gegoten worden. Bij middel van de op en neergaande armstangen perste de pomp het water door de slangen. Zes tot acht man waren nodig om dergelijke handspuit in werking te houden. Vandaar dat deze plaats haar naam ontleent: spuithoek of "Speyhoek".
Door regen en sneeuw trokken de Stadense brandweerlui op 2 februari 1907 naar Westrozebeke waar de kerk in brand stond. De brandweerpomp was voortgetrokken door het paard van Mon Bouckaert. Florimond Vanlauwe was onmiddellijk met een persleiding hoog in de toren geklommen, tot boven de vuurhaard. Van daaruit kon hij het vuur goed bestrijden en de brand omschrijven. Kort daarna waren ook de pompiers van Roeselare ter versterking aangekomen en met hun beter materieel vielen ze de brand aan alle kanten aan. Vanlauwe nog steeds hoog in zijn stelling, werd er drijfnat gespoten. Gelukkig kon hij zich toch vrij vlug doen opmerken, zodat het spuiten werd verlegd. Voor dit moedig optreden werd Florimond Vanlauwe door Koning Leopold II vereremerkt met de Medaille 1°Klasse.
In hetzelfde jaar, tijdens het Sint-Barbarafeest op 4
december, brak brand uit in het lokaal bij Rene Vanheule, in de Statiestraat. De
feestvierende brandweermannen, die er met de voeten onder tafel zaten, geloofden
het eerst niet toen het alarm geslagen werd. De brand woedde echter reeds zo
hevig dat het dak in lichtelaaie kwam te staan en het hele huis in de vlammen
ophing. Toch hadden de feestvierders in hun spoed om de zaal te verlaten nog net
het vlees kunnen redden; dit werd dan 's avonds opgegeten in café de Villa, in
de Houthulststraat.
In 1908 werd een foto genomen van het reeds flink uitgebreid korps.
Van '14 tot '45
In de nacht van 19 op 20 oktober 1914 vielen Duitse soldaten Staden
binnen waarbij overal in de dorpskom huis aan huis gevechten plaats vonden. Niet
minder dan 160 gebouwen gingen hierdoor in de vlammen op. Aan blussen viel
uiteraard niet te denken. Eén huis in de Grote Veldstraat kon toch worden
gevrijwaard. Paulintje Van Aelst zag er een patrouille Duitsers voorbij trekken
die er een brandende bussel stro door het stukgeslagen venster naar binnen
gooiden. Zij verwittigde de mannen van de omgeving die bij haar in de kelder
verscholen zaten. Twee brandweerlieden onder hen, Florimond Vanlauwe en Gerard
Billiet slopen omzichtig de straat op met een paar emmers water en konden het
vuur nog tijdig blussen. Het huis was gered en bleef gedurende de ganse oorlog
bewoond door de gezusters Neirinck.
Op nieuwjaarsnacht van 1916 ontstond brand in
het huis Van Haelewijn, Statiestraat. Het brandweermaterieel werd door Duitse
soldaten vanuit het 'spuitkot' gehaald, gelegen achter het reeds afgebrande en
vernielde gemeentehuis. Door het grote geweld waarmee de pomp bediend werd, ging
niet alleen het water tot over het dak, maar ook de compressor van de pomp vloog
af. Deze was zodoende buiten dienst met het gevolg dat het hele huis ten prooi
aan de vlammen ophing.
Enkele maanden later, op een zondagnamiddag in mei, ontstond er brand in het
huis Morthiers in de Kapelleriestraat. De pomp was ondertussen weer hersteld, de
bol stond er terug op, een beetje schots en scheef, doch ze werkte. Opnieuw
waren soldaten aan de blussing begonnen, maar op aanraden van een voorbij komend
officier lieten ze alles in de steek. Enkele jonge kerels, amper 12 tot 14 jaar
wisten de zuigslangen opnieuw aan te koppelen en vanuit de nabijgelegen put 'Van
Oost' water te halen. Met vereende krachten kon het aanpalende huis worden
gered.
De gemeente had net voor de oorlog, in 1911, tengevolge een toen uitermate droge zomer waardoor tal van veldbranden ontstonden, twee nieuwe pers- zuigpompen aangekocht. Deze waren echter tegen het einde van de oorlog verdwenen. In het offensief in juli 1917 werd Staden immers volledig in puin geschoten en door de ganse bevolking verlaten. Toen in 1920 de eerste noodbarakken (Koning Albert barakken genaamd) aankwamen, waren opnieuw twee kleine brandweer handpompen meegeleverd.
Het Stadense korps werd heringericht met Richard
Deconinck nog steeds als kapiteinbevelhebber. Enkele jonge krachten kwamen het
korps vervoegen, zoals Camiel Deprez, Alidoor d'Hondt en Henri Vandromme, alsook
Theophiel Lyphout, Gaston Vanhaelewijn, Marcel Samyn en Paul Billiet als
klaroenblazers.
In het boek "Staden door de eeuwen heen" staat te lezen: "Op iedere eerste
zondag van elke maand is er bijeenkomst om oefeningen te doen en het materiaal
te onderzoeken. De leden die zonder voorafgaande verwittiging op deze
vergadering ontbreken, worden met een boete van 1 frank bestraft. Na iedere ramp
ontvangen de pompiers die aanwezig waren een beloning van het gemeentebestuur."
Voor de oefeningen werd bijeengekomen in een lokaal; een café of herberg bij een
of ander lid herbergier. Het eerste lokaal was gevestigd bij Jules Astaes, in
1923 bij Gustaf LeRoy, later nog bij Emiel Meerseman en Alfons Honraet. Het
laatste lokaal was in café "de pompier" bij Omer Vandamme.
Ieder jaar vierden de brandweermannen hun patroonsfeest op Ste-Barbara. Dit begon telkens met een plechtige mis tot lafenis van de afgestorven leden en eindigde tegen de avond in het lokaal met een feestmaal, spel en zang. Tijdens het patroonsfeest werd door het gemeentebestuur ook een geldelijke toelage geschonken.
Op kerstdag 1926 overleed kapiteinbevelhebber Richard Deconinck. Voor zijn afsterven werden de boeken en het kasgeld overhandigt aan Julien Monthaye die via Adam Deconinck aanverwant was. Tegen Julien had Richard gezegd de pompiers niet op de begrafenismaaltijd uit te nodigen omdat ze te veel konden eten. Julien deed het echter wel, samen met de vele pachters. En of er gegeten werd...
Florimond Vanlauwe werd vervolgens als oudste lid de
nieuwe kapiteinbevelhebber; Jules Vandromme, Julien Monthaye, Amand Bal en Jules
Adam zijn luitenanten. Er werd een nieuwe handpomp aangekocht, nog veel zwaarder
en lastiger was dan de vorige. Nochtans waren reeds goede motorpompen op de
markt, doch de gemeentebestuurders waren bevreesd dat met een motorpomp de
brandslangen zouden stukspringen.
Op 10 mei 1933 overleed Florimond Vanlauwe en werd opgevolgd door Jules
Vandromme. In 1934 werd de eerste vlag van het korps ingewijd, een
viertal leden werden wegens 25 jaar dienst vereremerkt en er werd ook opnieuw
een groepsfoto genomen.
Jules Vandromme bereikte in 1935 de leeftijdsgrens waardoor Julien Monthaye het
roer overnam, taak die hij met volle ijver volbracht tot 1 september
1938.
Op 5 maart van dat jaar keurde de gemeenteraad een nieuw grondreglement goed
hetwelk op 11 maart door de gouverneur werd bekrachtigd. De "bezoldiging" in het
nieuwe reglement voor het bijwonen van de gewone diensten zoals theorie en
oefening bedroegen 2 frank; bij interventie was dit een premie van 10 frank.
Boeten waren er van 2 tot 5 frank, en wie voor het verstrijken van de
verbintenistermijn het korps verliet, werd bestraft met 20 frank, invorderbaar
veertien dagen na zijn uittreding.
In 1939 werden te Roeselare voor het eerst brandweercursussen ingericht;
niemand van de Stadense pompiers had eraan kunnen deelnemen want noch het
gemeentebestuur, noch de bevelhebber had hen ingelicht. Inmiddels was Amand Bal
de nieuwe commandant geworden. In aanwezigheid van Kpt Vanbesien, afgevaardigde
van de West-Vlaamse brandweerbond, werd op 14 februari 1940, het korps
volgens het nieuwe grondreglement herschikt.
De zwaarste brand in die tussenoorlogse periode was op 16 januari 1940 toen de
Cinema Flandria in de Ieperstraat in lichte laaie stond. Vier uur aan een stuk
werd gezwoegd, met bovenmenselijke krachtinspanningen om de pomp onder druk te
houden en met emmers het water aan te brengen, maar het woongebouw en de
aanpalende huizen konden worden gered.
Het oorlogsgeweld werd ondertussen opnieuw een feit. Op 8 augustus 1941 was er een oefening in samenwerking met de toenmalige luchtbescherming en bijgewoond door de Duitse Kommandatuur van Roeselare; een zogezegde luchtaanval op de Koekoekschool. De zware handpomp diende 150m ver, door een smal wegeltje naar een weideput op Demuynck's hof te worden gedragen, hetgeen een onmogelijke opdracht was. Amand Bal werd als bevelhebber van de brandweer, verantwoordelijk gesteld voor het mislukken van de oefening en nam terstond ontslag. Door tussenkomst van de bezetter werd daarop DeGraeve Antoon, zijnde plaatselijk hoofd van de passieve luchtbescherming, als bevelhebber aangesteld. Een aantal brandweerlieden is het daar niet mee eens en zullen dan ook geregeld hun ongenoegen laten blijken. Er werd een aanklacht tegen hen ingediend zodat Duitse Feldgendarmen naar Staden komen om de 'opruirige' pompiers aan te houden. Evenwel kon hulpveldwachter Petrus Van Coullie bekomen hen niet mee te nemen. Ze kregen uitstel doch dienden zich 's anderendaags op de Kommandatuur te melden.
Zo stonden op dinsdag 25 mei
1943, Gaston
Vanhaelewyn, Camiel Deprez, Henri Vandromme, Albert Saelens en Paul Billiet voor
de Duitse rechters. Ze werden uitgescholden voor saboteurs en dienstweigeraars,
maar hadden geluk. De Duitse officier die tegenover hen stond werd opeens
weggeroepen; de officier die hem verving wist van de zaak niets af en liet hen
vrij.
De onderlinge wrevel zou echter blijven bestaan en menigmaal tot soms
hoogoplaaiende ruzie leiden.
De nacht van 31 juli 1943 wordt Staden door een overweldigende luchtaanval getroffen. Een vijftal grote fosforbrandbommen viel op de kerk waardoor de houten dakbedekking onmiddellijk vuur vatte. Een onbegonnen taak want in nog 23 huizen en gebouwen ontstond brand, ondermeer in het huis van onderpastoor Dendievel, waar een brandbom in de trapzaal terechtkwam. Om 2u in de nacht kwam de brandweer van Roeselare nog ter versterking, doch alle inspanningen ten spijt, de kerk brandde volledig uit, alle andere branden konden overmeesterd worden. In het notulenboek staat genoteerd: "Bijeenkomst (oefening) van Maandag 2 Oogst 1943 - 20u - Alvorens de maandelijkse oefening te beginnen, heeft Heer Burgemeester Beeckaert de brandweermannen in zijn bureel geroepen ten einde hen te bedanken voor de verleende prestaties na den luchtaanval van 30 op 31 Juli 1943. Hij zegde dat de brandweer haar plicht heeft gedaan in deze zeer moeilijke omstandigheden. Verder zegde hij dat het gemeentebestuur besloten heeft aan ieder brandweerman eene premie van 30 frank voor de bijzonder prestaties te betalen."
Als gevolg van deze talrijke branden werd besloten om ter informatie van de bevolking een alarmstelsel te organiseren. Daartoe werd bij Pol Billiet, Gaston Vanhaelewyn, Gaston Vandenbulcke, Camiel Deprez, Marcel Everaert, klaroenblazer Hector Demuynck en de bevelhebber, een plakje aan de voordeur bevestigd met het opschrift: "Hulp in geval van brand". Zo konden de mensen te weten komen waar ze zo nodig de dichtstbijzijnde pompier konden bereiken en alarmeren. Er werden echter ook voor de spuitgasten zelf strengere maatregelen getroffen om hun aanwezigheid bij oproep beter te controleren. Ieder pompier ontving een plaatje met zijn stamnummer. Bij aankomst in het arsenaal moest hij dit plaatje in een daartoe bestemde gesloten bus werpen. Alleen de bevelhebber en de secretaris waren in het bezit van een sleutel van die bus. Na de brand of andere ramp werd verzameling geblazen en naamafroeping gedaan, waarbij de plaatjes werden teruggeven.
Op 5 april 1944 werd via de Passieve
Luchtbescherming, van het ministerie dus, een draagbare motorpomp merk
Wasterlain, te Staden ontvangen. Bijhorend één aanhangwagen, twee zuigdarmen van
90 mm diameter, één zuigkorf, twee lansen van 70 mm met drie mondstukken, twee
lansen van 45mm met drie mondstukken, en één verdeelstuk van 70 op 2x 45mm. Er
waren evenwel geen bijpassende slangen meegeleverd, zodat 200m persslangen
dienden geleend bij het naburige Oostnieuwkerke waar toen ook een brandweerkorps
bestond. Nog ontving het korps op staatskosten: 16 stalen helmen, 12 geoliede
vesten en broeken, 6 reddingsgordels en -koorden.
De officiële overhandiging met proefoefening van de nieuwe pomp vond plaats op
zondag 23 april 1944, om 10u30. Provinciaal brandweerinspecteur Debusschere,
vergezeld van Kapitein Vanbesien, secretaris van de Koninklijke West-Vlaamse
Brandweerbond, zou de nieuwe motorpomp aan het College van Burgemeester en
Schepenen overhandigen. Het ceremonieel luidde: "De leden, in brandtenue (helm
en botten) zullen om 9u30 aan 't arsenaal bijeenkomen; om 10u zal al het getuig
van het korps op het stationsplein vergaderen; om 10u15, optocht naar den markt
in de volgende orde: bevelhebber, klaroenen, eerepompiers, lanciers, handpomp,
ladders en motorpomp; om 10u20 schouwing van het korps op den markt door de
overheden (gemeentebestuur en brandweer); om 10u30, aanval van een brand (kerk)
door motor-(4 lansen van 45mm) en de handpomp (1 lans van 45 mm), de ladders
worden geplaatst. Dus al het getuig in werking. Na den aanval, proefneming met
één lans van 70mm".
Enkele dagen later werd in een schrijven van de Commissaris-generaal van de
Passieve Luchtbescherming medegedeeld dat de motorpomp door zijn diensten aan de
Gemeente Staden geleverd, aan deze bleef toebehoren, doch dat er geen bezwaar
was om ze in het lokaal van de brandweer onder te brengen. In geval van brand
mochten de brandweermannen ze ook gebruiken, op voorwaarde dat zij de
verplichting op zich namen de agenten van de Luchtbescherming op de hoogte te
brengen van alle handelingen. Ook werd verplicht een aantal brandweermannen lid
te worden van de plaatselijke afdeling van de Passieve Luchtbescherming, hetgeen
op 28 juli 1944 door de bestuursraad werd bekrachtigd.
Gezien het korps nu naast een handpomp toch ook over
een motorpomp beschikte werd ook "de slagorde" heringedeeld. De vroegere en
inmiddels buiten dienst gestelde handpomp werd voor 2.500 frank verkocht aan het
gemeentebestuur van Zarren. Dit bedrag mocht door het brandweerkorps worden
behouden.
In de bestuursraad van 27 juli 1944 werd medegedeeld dat het
gemeentebestuur onderhandelingen heeft aangeknoopt met een
verzekeringsmaatschappij voor het verzekeren van de auto van brandweerman Gouwy,
daar hij voortaan voor het trekken van de pomp zal instaan. De premie bedroeg
800 frank per jaar. Ook in deze bestuursbijeenkomst werd kennis genomen dat het
schepencollege een ontwerp had aangenomen voor het bouwen van een arsenaal met
verdiep en toren. Het arsenaal zou een oppervlakte hebben van 12 bij 7m25, een
poort met opening van 5m en de hoogte van de toren zou 15m20 zijn. 't Verdiep
zou dienen als theoriezaal; kasten en een waskamer waren eveneens voorzien.
Na de bevrijding
20 september 1944, elf dagen na de bevrijding kwam de gemeenteraad,
voorgezeten door burgemeester René Desmedt, voor het eerst opnieuw bijeen. Alle
besluiten van tijdens de oorlog werden nietig verklaard. Amand Bal, die voor
drie jaar zijn ontslag als brandweerbevelhebber had gegeven werd gevraagd deze
functie opnieuw op te nemen; hij weigerde. Aldus werd Paul Billiet als eerste
gediplomeerd brandweerofficier, met algemene stemmen, tot
onderluitenantbevelhebber benoemd; dit gezien de oorlogsomstandigheden met
terugwerkende kracht van 4 november 1941. Ook alle zich tijdens de
bezetting waardig gedragen brandweerlieden werden in deze raadszitting
herbenoemd.
De Raad besliste eveneens het korps op te voeren tot de sterkte van één peloton,
gezien de gemeente nu meer dan 5.000 inwoners telde.
Ondertussen waren in het munitiedepot op de Vijfwegen
talrijke persslangen ontdekt. Ook te Brugge hadden de Duitsers honderden meters
brandweerslangen achtergelaten. Deze werden onder de korpsen verdeeld zodat de
geleende 200m aan Oostnieuwkerke konden worden teruggegeven.
In 1945 werd door het gemeentebestuur van Zarren, die tot het
beschermingsgebied van de brandweer van Diksmuide behoorde, een aanvullende
overeenkomst gevraagd met de brandweer van Staden. Deze werd door de
gemeenteraad in oktober 1946 goedgekeurd. Als voorwaarde was verbonden
dat de brandweer van Diksmuide steeds als eerste zou verwittigd zijn en het
korps van Staden zich van zodra de toestand het toeliet zich zou terugtrekken.
Het korps was zich onderwijl stilaan aan het
heropbouwen. Nieuwe krachten werden aangetrokken waardoor het korps algauw 34
leden telde. De eerste kostumering werd op eigen kosten gedaan zodat in
1946
iedereen in een gloednieuw tenue stond. Dr Pol Demuelenaere was na het heengaan
van korpsdokter Thiers de nieuwe luitenantgeneesheer geworden.
De gemeente kocht een nieuwe zware motorpomp DENIS alsook tal van ander
brandweermaterieel, zodat het korps nu over twee goede pompen beschikte.
Ditzelfde jaar ook op 15 oktober, werd de eerste steen van het nieuwe eigen
'tuighuis' gelegd. Overal in het land werden brandweerfeesten ingericht zoals
provinciale prijskampen en centrumoefeningen. De Stadense brandweerlieden waren
er meestal bij en lieten steeds een bijzondere indruk na. Voor het eerst ook te
Staden, ter gelegenheid van de inhuldiging van het "tuighuis" in
1948
gingen ook hier centrumfeesten door.
De goede faam was er ook in de naburige gemeenten bekend en Houthulst, Handzame,
Zarren en Werken riepen het Stadense korps ter hulp. Zo ondermeer voor de enorme
brand bij de vlasfabriek Demeulenaere te Werken in december
1947. In de
verschillende kranten stond daarna te lezen: "...De brandweermannen van Staden
waren vlug ter plaatse en konden ondermeer de machine redden...", "... Wij
hebben het korps van Staden aan het werk gezien! Proficiat mannen, zonder U zou
deze brand een volslagen ramp geweest zijn...", of nog "... Een bijzondere
vermelding verdient het korps van Staden, dat eerst ter plaatse en door zijn
moedig optreden gedurende het blussen, de helft van de loods kon behouden...".
Nog een tweede maal, in juni 1959, moest aan hetzelfde bedrijf worden
hulp geboden.

In 1952 mocht ook de eerste brandweerauto in ontvangst genomen.
Bevelhebber Billiet, Sgt-maj Vanhaelewyn en bestuurder Vanoost gingen het nieuwe
voertuig, samen met 800m persslangen, 12 lederen vesten en helmen, te Antwerpen
afhalen.
Nu kon overal snel en kordaat opgetreden worden. Het alarmeren gebeurde voortaan
benevens door de zes klaroenblazers, ook door middel van de sirene die boven op
de droogtoren was geplaatst. Het dienstorder luidde:
"Bij de inwerkingstelling
van de alarminrichting spoeden de dichtsbijwonenden zich onverwijld per velo,
moto of auto naar het tuighuis". Enkele jaren later (1956) kon de sirene
ook van uit het huis Vanoost op gang worden gebracht.
De prestatievergoedingen werden herzien; thans werd 10 frank betaald voor een
oefening of theorie, bij afwezigheid evenwel werd 10 frank boete geheven. Op 31
mei 1959 werden voor de tweede maal centrumfeesten gehouden waaraan
dertien korpsen deelnamen. Er waren nieuwe uniformen aangevraagd en beloofd,
doch deze werden pas tegen het Barbarafeest geleverd.
De patroonsviering van 1963 werd ingezet met de wijding van een nieuwe vlag. Het was tevens het afscheid van Lt Pol Billiet als bevelhebber, daar hij op 1 december de ouderdomsgrens had bereikt. De laatste grote brand onder zijn commando was in de spinnerij in de Houthulststraat, op donderdag 16 maart 1961. De nablussing duurde verscheidene dagen. En alhoewel de nabijgelegen beek, diende het bluswater van honderden meter ver, uit de put Van Oost, te worden aangevoerd.
Leon Billiet volgde zijn vader op en legde tijdens de nieuwjaarsreceptie op 4 januari 1964 de eed af. Het werd een zeer korte ambtstermijn. Op 3 maart 1965 immers, heel vroeg in de morgen, deelde vader Billiet telefonisch provinciaal secretaris Vanbesien mede, dat Leon diezelfde nacht plots overleden was. Een zware slag voor korps en gemeente die in deze energieke jonge man een beloftevol leider hadden verhoopt. Honderden brandweerlieden begeleiden hem naar zijn laatste rustplaats. Het is nog zijn initiatief dat telken jare als inzet van het Barbarafeest, op het kerkhof een groet wordt gebracht ter nagedachtenis aan de overleden makkers. Helaas, stond hijzelf reeds de eerste maal op de lijst van hen die ons zijn voorgegaan.
In de gemeenteraadsbijeenkomst van 5 april 1965 werd Donald Vandenbulcke tot onderluitenantbevelhebber verkozen. Hij was pas twee jaar bij het korps ingelijfd, maar had reeds te Brugge het brevet van brandweerofficier behaald, en gezien zijn jeugdige leeftijd, nog geen 24 jaar, meteen de jongste brandweercommandant van België.
Inmiddels had een belangrijke kentering zich in de brandbestrijding voorgedaan. In 1964 was, weliswaar nog beperkt, het waterdistriebutienet in de gemeente aangelegd. Dit bracht zeker voor het centrum en onmiddellijke omgeving, een niet te miskennen verbetering tot het beschikbaar hebben van het noodzakelijke bluswater. Anderzijds was ook de wetgeving strenger geworden. Ieder brandweerkorps diende over een voertuig te beschikken dat met een vaste pomp was uitgerust en een hoeveelheid water met zich had. De eerste autopomp, een tweedehands Mercedes met een watertank van 3.000 lt en één hogedrukslang, werd op zondag 24 april, om 10u15 plechtig aan de brandweer overhandigd. Benevens het wijwater van E.H. Pastoor Mullier, werd de wagen ook met champagne gedoopt, door de peter Charles Pomme. Zijn voornaam, alsook die van de meter, Mevr Margaretha Declercq, echtgenote van toenmalig burgemeester Eugeen Dermaut, stonden op de motorkap van de auto geschilderd. Deze haast revolutionaire verbetering was uiteraard de blikvanger tijdens de grootse "open-deur" die op 18 september 1966 werd gehouden. Staden was opnieuw paraat.
Een eeuw Stadense brandweer.
Alvorens het feestgeloei kan beginnen, een zeer belangrijke datum. In zitting
van 6 juni 1968 beslist de gemeenteraad zich ertoe te verbinden het
gemeentelijk vrijwillig brandweerkorps te behouden en in stand te houden,
hierbij het personeel en de materiele uitrusting in overeenstemming te brengen
met de voorzieningen van het Koninklijk Besluit van 8 november
1967,
houdende voor vredestijd, de organisatie van de gemeentelijke en gewestelijke
brandweerdiensten en coördinatie van de hulpverlening in geval van brand.
Zaterdag 14 september was het dan zover. Honderd
salvo's, klaroengeschal en klokkengelui kondigden de opening aan van de
eeuwfeestviering. Om 19u werd voor de leden en overleden leden een plechtige
jubelmis opgedragen, waarna de avond in het arsenaal werd besloten met een
gezellig samenzijn.
Zondag 15 september was om 10u30 een bloemenhulde aan het monument van de
gesneuvelden, gevolgd door een ontvangst op het gemeentehuis. De namiddag werd
ingezet met een optocht en defilé waaraan naast de muziekkapel van de Chiro, de
Koninklijke Fanfare St-Cecilia en de Koninklijke Gemeenteharmonie De Verenigde
Vrienden, liefst 29 West-Vlaamse brandweerkorpsen deelnamen. Om 16u hadden op
het stationsplein diverse brandweeroefeningen plaats, gebracht door de korpsen
van Ardooie, Rumbeke, Lichtervelde en Roeselare. De grootste attractie evenwel
was het optreden van de helikopter van de Helihaven Koksijde, die met enkele
sensationele reddingsdemonstraties uitpakte. De dag werd beëindigd met een groot
eeuwfeestbal; de viering met een grandioos vuurwerk.
Voorafgaandelijk was een wedstrijd georganiseerd geworden om een affiche te
ontwerpen die de eeuwfeestviering moest annonceren. Het bekroonde werk was van
de hand van Paul Rollez.
De bezetting van het korps in 1968 zag er uit als volgt:
Onderluitenantbevelhebber Vandenbulcke Donald, Luitenantgeneesheer De Muelenaere
Polidoor, Sergeant-majoor Vandenbulcke Gaston, 1°Sergeant Everaert Marcel,
Sergeant Debruyne Valeer en Seys Henri, Korporaal Deprez Cyriel, Glorie Willy,
Samyn Maurits en Vandromme Gerard, Brandwachten 1°klas Deraeve Pierre, Glorie
Cyriel, Hoflack Gerard en Lobbestael Charles, Brandwachten Bruneel Frans,
Carlier Alois, Damman Aurel, Deloose Karel, Dereyne Franklin, Deruytter Achiel,
Deruytter Noel, Devos Gabriel, Hoflack Roger, Roose Gilbert, Terryn Marcel,
Vandepoele Noel, Vander Meulen Georges, Vandromme Georges, Vanoost Andre en
Vinckier Etienne. De veteranen waren: Billiet Polidoor, Vanhaelewyn Oscar,
Vandenbulcke Odiel, Lobbestael Jules, Depoorter Gaston, Honraet Marcel, Vanoost
Victor, Geldof Camiel, Vandamme Omer en VanIsacker Gilbert.
Op het barbarafeest van 1969, zondagmorgen 14 december, werd na de groet op het kerkhof een bezoek gebracht aan Café 'De Pompier' bij Erelid Omer Vandamme. De laatste brandweerman was net binnen en had de voordeur achter zich dichtgeklapt, toen op de toren van het arsenaal de sirene alarm sloeg. Brand was uitgebroken in de stallingen bij Buysse, het eerste huis op grondgebied Zarren in de Diksmuidestraat, en gezien het korps van Diksmuide van heel ver moest komen was ook Staden opgeroepen. In vliegende vaart stormde iedereen het café op de Mispelaareik terug buiten, want er diende eerst naar het arsenaal teruggekeerd om de interventiekledij aan te trekken. Er blies een krachtige en bovendien bar ijzige wind die het vuur steeds bleef aanwakkeren. Samen met de collega's van Diksmuide werd de ganse voormiddag gestreden om de vele dieren in veiligheid te brengen en het vuur te overmeesteren. Met enige vertraging, en stinkend van de rook, konden uiteindelijk toch de voeten onder tafel geschoven voor het feestmaal.
Zondag 20 september 1970 nam brandweer Staden deel aan het zomercongres van de Koninklijke Belgische Brandweerfederatie dat op de luchthaven van Middelkerke gehouden werd. Daar wordt commandant Vandenbulcke door zijn Middelkerkse ambtsgenoot Kdt Jan Cools, schoonvader van de Stadense korpsdokter, in het oor gefluisterd dat bij de mobiele colonne van de Civiele Bescherming te Liedekerke, een aantal afgedankte bluswagens worden van de hand gedaan, kostprijs nul frank. Zo kon in januari 71 een wagen met ingebouwde pomp en aan weerszijden rijkelijk voorzien van bergingskasten, alsook een nog afzonderlijk draagbare pomp, te Liedekerke worden afgehaald. In de ruimte tussen de bergingskasten werd een tank ingebouwd, door de commandant zelf aaneengelast. Het korps heeft nu weliswaar drie voertuigen en twee pompen op aanhangwagen, maar kan dit alles niet meer herbergen. Het "Fordje" zal dan ook menige standplaats krijgen en vele nachtjes buiten slapen...
Het reeds vernoemde Koninklijk Besluit van 8/11/67 bepaalde ook dat de gewone gemeentelijke korpsen minimum twee officieren moesten hebben. Deze bepaling werd op zaterdag 6 mei 1972 in de praktijk omgezet. Tijdens een plechtigheid op het gemeentehuis legde brandweerman Frans Bruneel, die zopas het brevet van brandweerofficier behaalde, als onderluitenant "dubbelganger aan de bevelhebber" de eed af. Tijdens diezelfde plechtigheid werden ook enkele bevorderden aangesteld en nieuwe brandweerlieden opgenomen.
Gedurende de laatste jaren waren reeds verscheidene jonge krachten aangeworven geweest. Deze hadden voor het eerst, eerst een stage dienen te lopen. Aan het einde van die opleidingsperiode werden hen theoretische en praktische proeven afgenomen alvorens voor effectieve indienstname te worden voorgedragen. Commandant Vandenbulcke, zelf zeer sportief geëngageerd spoorde die bloeiende jeugd aan ook iets attractief te doen. Touwen en reddingsgordels werden bijgehaald en de training kon beginnen. De afdalingstechniek werd ingeoefend. Eerst bescheiden, vanuit de zolder van "Ons Eigen Huis", achter de kerk; vervolgens een beetje hoger: de bovenverdieping van de oude brouwerij. Iedereen was vol enthousiasme en geen maandelijkse oefening ging voorbij zonder "zelfredding". Uiteindelijk zou de grote stunt gewaagd worden: een afdalingsdemonstratie vanuit de kerktoren ter gelegenheid van de batjesfeesten ingericht door de plaatselijk middenstand, op zaterdag 8 augustus 1971. Etienne Vinckier was de eerste die zich uit de toren liet zakken. Frans Bruneel, Franklin Dereyne, Willy Glorie, Hendrik Honraet, Michel en Jeroom Lamaire, Gilbert Roose en Noel Vandepoele volgden en zoefden in sneltreinvaart langs de koorden. De stadense stuntploeg werd een bekendheid. Op ieder centrumfeest, bij ieder congres waren ze gevraagd. Maar eveneens bij andere gelegenheden in naburige gemeenten vormde het brandweerteam de attractiepool. Het hoogtepunt wellicht werd beleefd in 1973 te Kruishoutem, ter gelegenheid van de aldaar jaarlijkse eierfeesten. Tijdens die spectaculaire afdalingen, tegen een snelheid van 70 km/uur uit de 47m hoge kerktoren, werden massa's eieren in het publiek ten grabbel gegooid.
In die periode had de heemkundige kring "Antonius-Sanderus"
ontdekt dat er in het buitenland ook nog plaatsen waren die de naam Staden
droegen. Uit hun diverse kontakten ontstond met het kleine stadje Staden,
gelegen in Duitsland op ongeveer 40 km ten oosten van Frankfurt/Mainz, een
verbroederingsband.
Zo werd door tussenkomst van wijlen Burgemeester E.Dermaut ons brandweerkorps
uitgenodigd om in 1976, in dat Hessense stadje ter gelegenheid van het
Pinkstertreffen, de plaatselijk viering "25 Jahr Feuerwehr" mee te maken. De
ontvangst was overweldigend en ook onder de brandweerfamilies van de beide
Stadens kwamen vriendschapsbanden tot stand. In 1978 werd het Duitse korps voor
een tegenbezoek uitgenodigd, waarna met de tweejaarlijkse heemkring
verbroederingsfeesten voortaan telkens ook die gezinnen der beide brandweren
werden betrokken. Bij de openingsplechtigheid van de kazerne in april
1991 was
een afvaardiging van de Duitse collega's aanwezig. Enkele weken later, tijdens
het pinksterweekend was ons korps opnieuw aan de andere kant van de grens de
eregenodigde.
Helaas werden de spuitgasten ook met de harde realiteit geconfronteerd. De ongetwijfeld meest tragische tussenkomst deed zich voor op de vooravond van de opendeurdagen, op 5 september 1975. Bij een woningbrand in de Nijverheidsstraat kwamen het driejarig dochtertje en het zoontje van vijf maanden die alleen thuis in hun bedje lagen, in de vlammen om.
De fusie
De fusie van gemeenten op 1 januari 1977 bracht willens nillens ook de
samenvoeging van tal van brandweerkorpsen met zich. Daardoor werden ook de
bestaande korpsen van Staden en Westrozebeke in een nieuwe brandweerdienst
Staden verenigd. Het hoeft geen betoog dat deze opgedrongen fusie niet overal
met dezelfde gevoelens, laat staan geestdrift is ontvangen. Zo was er ook in de
nieuwe Stadense brandweerdienst een zekere mate van afstandelijkheid waarbij een
aantal mensen het met de nieuwe situatie moeilijk had en de brandweer verlieten.
Ook politiek dienden de kaarten geschud, want er moest een keuze gemaakt worden
omtrent de bevelvoering van het nieuwe korps. In de eerste raadszitting van het
nieuwe gemeentebestuur werd Lt Donald Vandenbulcke als officier-dienstchef in
zijn functie bevestigd; Lt Marcel Verhoest, tot dan bevelhebber van het
Westrozebeekse korps werd als verantwoordelijk officier van de bijpost betitelt.
De samenwerking tussen beide verliep opperbest, en alhoewel ook dit huwelijk
zijn kwaaie dagen kent, mag de globale samenwerking van beide korpsdelen beslist
tot één der beste van de fusiekorpsen bestempeld worden.
Tijdens het jaarlijks Barbarafeest wordt op
zondagmiddag het door het gemeentebestuur aangeboden feestmaal afwisselend in de
deelgemeente Staden of Westrozebeke gehouden. Tijdens het tafelen worden de
eventuele diploma's, getuigschriften of verermerkingen uitgereikt of
overhandigd. Beide korpsdelen hebben elk afzonderlijk dan nog een familiaal
feestgedeelte, terwijl de Barbaraviering zoals van oudsher nog steeds met een
H.Mis voor de overleden leden wordt ingezet.
Sedert omstreeks halfweg de zeventiger jaren worden, ter gelegenheid van de
patroonsviering, maar ook bij andere gelegenheden, de opstappende manschappen
door een 'trommelband' voorafgegaan.
In juli 1978 werden de brandweerlieden opnieuw voor zeer dramatische omstandigheden ter hulp geroepen. In een woning op de Vijfwegen, bewoond door een ontmijner van het naburig ontmijningsdepot, deed zich een vreselijke ontploffing voor. De bewoner was er samen met een vriend, in de kelder een kijkje aan 't nemen naar een verzameling springtuigen. De chaos was verschrikkelijk; de beide mannen zaten onder de brokstukken van het neergestorte kelderplafond bedolven. Hun bevrijding was helaas dan ook vruchteloos.
Op 19 november overleed commandant Verhoest, hij werd door manschappen van hoofd- en bijpost gezamenlijk, naar zijn laatste rustplaats gedragen. De overheid van het vroegere Westrozebeke had zijn brandweer echter nogal stiefmoederlijk behandeld; behalve één korporaal was geen enkele gegradueerde. De plaatselijk leiding kwam dan ook onder de hoede van korporaal Julien Samyn, die omwille zijn toegewijdheid werd bevorderd tot sergeant. Een paar leden volgde ondertussen de officierencursus, zodat eind oktober 1980, na zijn benoeming als onderluitenant, Deceuninck Roland de nieuwe verantwoordelijk officier bij de bijpost werd.
In de zomer van 1987, meer bepaald op
vrijdagavond 17 juli, was niet het vuur, maar het water de vijand. De gemeente
werd letterlijk overspoeld door een nog nooit gekende aanhoudend hutsende
regenval. Op meer dan 30 plaatsen tegelijk werd hulp ingeroepen om water weg te
pompen of proberen tegen te houden. Verscheidene wegen dienden op bepaalde
plaatsen voor het verkeer afgesloten, waarbij de bewoners in de omgeving van de
Houthulststraat en Cardijnlaan misschien wel het ergst getroffen werden. En het
bleef maar gieten, met bakken kwam het uit de hemel vallen; meer en rapper dan
het kon worden weggepompt. De ganse nacht, maar ook nog dagen nadien diende op
vele plaatsen te worden doorgepompt.
Eén der meest spectaculaire interventies zal dan op zondagmorgen 9 februari
1988 geweest zijn. Via de radio was opgeroepen voor een ontploffing bij de
Oliefabrieken Debeil. De ravage was inderdaad enorm, want acht reusachtige tanks
van elk zo'n 20.000 lt slaolie waren neergestort en met de omringende muren en
al op het wegdek terechtgekomen. Een groot gedeelte van de olie stroomde in de
nabijgelegen beek en zo verder naar de Handzamevaart. Het wegdek van de
Roeselarestraat was spekglad en haast met geen middelen opnieuw berijdbaar te
krijgen, zodat uiteindelijk een gedeelte van de bovenlaag diende weggefreesd.
De allicht omvangrijkste brandbestrijding deed zich voor op zaterdag 24 augustus
1991 bij de keukenmeubelenfabriek Trybou. Met honderd brandweerlieden
werd het vuur te lijf gegaan: het voltallig eigen korps aangevuld door de
Roeselaarse brandweer en een tankwagen van 30.000 lt uit Torhout. Haast op het
nippertje konden de belendende woningen langs de Diksmuidestraat worden gered,
alle tuintjes en wat erin stond was één verkoolde woestijn. De fabrieksgebouwen
zelf gingen totaal in de vlammen op. Het nablussen duurde tot 's anderendaags
middags, waarna nog verscheidene malen voor heropflakkering werd teruggeroepen.
De huidige werking
Alhoewel onmiddellijk na de fusie één centraal bestuur werd gevormd, hebben
beide afdelingen hun autonome werking en hun eigenheid inzake inplanting en
materieel behouden. De deelgemeenten Staden en Oostnieuwkerke worden door de
hoofdpost bediend, terwijl de voorpost vanzelfsprekend de deelgemeente
Westrozebeke onder haar bescherming heeft. Niettemin wordt, waar en wanneer dit
noodzakelijk is, wederzijds ter versterking aangevuld.
Het korps onderging nog grondige wijzigingen. In
1974 was opnieuw een nieuw Organiek Reglement van kracht geworden, hetwelk
tengevolge de fusie nog geregeld diende bijgepast. Het kader werd uitgebreid en
na de opruststelling van Sergeant-majoor Cyriel Deprez werd de graad van
adjudant ingevoerd. Aldus werden respectievelijk bij hoofd- en bijpost Roose
Gilbert en Vandewalle Johan als de eerste adjudanten benoemd. Per 1 oktober
1981 had
Dr Alain Demuelenaere zijn vader opgevolgd als korpsgeneesheer.
Maar ook vrouwelijke brandweerlieden konden zich voortaan kandidaat stellen. In
1992 werd trouwens bij de hoofdpost
Ann Vandepoele als de eerste brandweervrouw
effectief benoemt.
Op materieel vlak werd gevoelig gemoderniseerd. Uiteraard deze dank zij de
inbreng en medewerking van het gemeentebestuur, waarvan Ereburgemeester Godfried
Detavernier dan de stuwende kracht mag geheten. In 1980 mocht de
hoofdpost een spiksplinternieuwe hogedruk-autopomp in gebruik nemen, het jaar
daarop was de voorpost aan de beurt. Beide ontvingen in diezelfde periode ook
een nieuwe motorpomp; later kwam een tankwagen het wagenpark aanvullen. Het
"oude Fordje" werd door een nieuwe materieelwagen vervangen, een bij de politie
afgeschreven voertuig werd aan de brandweer overgedragen en bij de voorpost kwam
een tweede autopomp de paraatheid versterken. Deze tweedehandse wagen werd door
de leden zelf volledig heringericht en -opgezet. Een ander staaltje van
vaardigheid en creativiteit is een recent ineengezette mobiele stroom- en
lichtaggregaat.
Sinds september 1990 heeft de hoofdpost in een gedeelte van de oude
brouwerij, die tot brandweerkazerne werd omgebouwd, zijn intrek genomen; de
officiële opening had plaats op 19 april 1991. Op 12 juni
1992
werd ook te Westrozebeke een nieuwgebouwde kazernering betrokken. Alle materieel
is aldus weer onder hetzelfde dak samengebracht. Ook aan die bouwwerken werd
inzake de inrichting van het interieur, de afwerking grotendeels door de
brandweerlieden zelf uitgevoerd.
De dienst beschikt over een tiental adembeschermingstoestellen en twee hermetisch afgesloten gaspakken. Sedert juni 1977 gebeurt de alarmering door middel van een radiofonisch oproepsysteem, bediend vanuit de brandweerkazerne te Roeselare, zodat de dienst 24 op 24 uur verzekerd is. Aanvankelijk nog via sirene en een 10-tal zakontvangpostjes. Sedert mei 1987 beschikt ieder brandweerlid bij de hoofdpost over een persoonlijke ontvanger zodat het gebruik van de sirene is komen te vervallen. Omwille van technische problemen was dit in de bijpost nog niet helemaal het geval. Begin mei '93 echter werden met staatstoelage 40 nieuwe zakontvangpostjes geleverd en heeft de gemeente het resterend aantal bijbesteld. De beide deelkorpsen zijn ieder ingedeeld in 4 groepen die wekelijks om beurt de weekdienst uitmaken. Zij verzorgen er de niet dringende opdrachten en staan tijdens de weekends in voor de eerste uitruk.
Bijna vijftien jaar geleden werd in onze provincie een
brandweerschool opgericht waar benevens een basisopleiding ook
specialisatiecursussen worden onderricht. Alle nieuwe kandidaten zijn verplicht
die opleidingscursus te volgen alvorens definitief in het korps te worden
opgenomen. De huidige bezetting van het korps beschikt over tal van geschoolde
krachten, waaronder twee specialisten brandvoorkoming; acht leden bezitten het
brevet brandweerofficier en tien dit voor onderofficier. Verder zijn nog
brevethouders inzake adembescherming, pomptechniek en administratie.
Geregeld in het jaar worden door de nationale of provinciale brandweerfederaties
ergens congressen of studiedagen ingericht die er telkens door leidinggevende
mensen worden bijgewoond. De traditionele centrumfeesten van vroeger met
optochten en competitieoefeningen zijn reeds enige jaren tot het verleden gaan
behoren. Ze zijn vervangen door samenwerkingsoefeningen met het centrumkorps
Roeselaarse, al dan niet samen met de andere centrumkorpsen. Een groot deel van
de korpsleden traint zich regelmatig ook in de speciale rookduikoefenkelder in
de kazerne te Roeselare.
Ontspanningsaktiviteiten bij Brandweer Staden
De laatste decennia heerste binnen het korps ook een bloeiend sport- en
ontspanningsleven.
Ruim een kwarteeuw geleden brachten Frans Bruneel en Franklin Dereyne enkele ludieke nummertjes tijdens het St-Barbara avondfeest. Zij lagen meteen aan de basis van wat de "brandweer-charloos" werd. Noel Vandepoele, Jeroom Lamaire, Henrik Honraet, Patrick Vandeportaele en Rik Brackez vulden algauw het duo aan en het groepje verzorgde er sindsdien de jaarlijkse patroonviering, huwelijksfeesten en andere feestgelegenheden.
Ook gedurende achttien jaar, tot vorig seizoen bestond de "brandweer-kaartersklub". Tijdens de wintermaanden werd iedere eerste zaterdagavond van de maand om het kampioenschap gekaart. Aan het eind van het speelseizoen werd uiteraard telkenmale de nieuwe kampioen of kampioene gehuldigd.
In 1976 werd het "brandweer-sport" opgericht.
Het stond gedurende 15 jaar lang in voor de organisatie van de brandweer
loopwedstrijden. Aanvankelijk enkel voor brandweerlieden ingericht werden na een
paar jaar ook een scholenloop en nog later wedstrijden voor vrije sporters aan
het programma toegevoegd. Het korps zelf ook telde verschillende lopers die
geregeld, tot ver buiten de provincie en zelfs in het buitenland, aan door
andere korpsen ingerichte wedstrijden deelnamen. Helaas, tengevolge de slinkende
belangstelling, vooral bij de jongere generatie, is de organisatie noodgedwongen
ter ziele gegaan.
Andere sporttakken waren en of zijn nog steeds: wandelen, fietsen, voetbal,
minivoetbal en volleybal.
Hoofd- en bijpost hebben nu ieder afzonderlijk een eigen 'vriendenkring-bestuur'
dewelke vrijwillig de organisatie van al dergelijke activiteiten op zich nemen.
Update na 125 jaar bestaan tot heden
Na het zopas voorbije jubileumjaar kreeg het sinds jaar en dag vertrouwde beeld van de pompier een ander gelaat. Op 20 oktober 1994 werd met staatstoelage ieder brandweerlid met de nieuwe Galet-helm uitgerust. Onze dienst was zelfs de enige binnen het Y-centrum Roeselare dat met reeds aangepaste ademhalingsmaskers de complete ademhelm in gebruik had.
Het jaar daarop, 1995, betekende voor dienstchef Vandenbulcke, 30 jaar korpsoverste. De viering greep plaats op 21 april en ging er gepaard met de overhandiging van een tweede autopomp aan de hoofdpost.
Met ingang van 1997 werd de jaarlijkse nieuwjaarsgroet op het gemeentehuis, vervangen door een voor alle gemeentelijke diensten gehouden receptie in een feestzaal. Investeringen werden gedaan bij middel van aankoop van twee rookdrukkers, reddingslijnen als oriëntatieleidingmiddel ten behoeve van de persluchtdragers, een totalisatie van nieuwe interventiekledij en radio-uitrusting in alle voertuigen. Nog op vlak van veiligheid werd een gasexplosiemeter aangekocht. Dat jaar ook werd in de kazerne de pc of personal computer geïnstalleerd.
In een KB van maart 1997 werden de opleidingen en benoemingen voor het brandweerpersoneel gewijzigd. In ieder provincie is een opleidingsinstituut geïnstalleerd; voor West-Vlaanderen “WOBRA” geheten. Het nieuw opleidingsprogramma voorziet voor elke graad een cursus met overstemmend brevet.
1998 werd gekenmerkt door enkele bijzondere interventiegebeuren. In het
kader van het yperiet-rampenplan werd in samenwerking met politie, rijkswacht
en de brandweerdiensten van Roeselare, Poelkapelle en Houthulst, op het
DOVO-ontmijningsdomein deelgenomen aan een rampenoefening. Er deed zich bij de
houtspaanderplatenfabriek Flaxipan een explosie met brand voor evenals de enorme
brand die in een minimum van tijd het zetelbedrijf Veran in de as legde. In
beide gevallen diende ter versterking beroep gedaan op het centrumkorps
Roeselare. Bij Veran hielpen ook brandweer Hooglede en de militairen van het
nabijgelegen munitiedepot bij de watertoevoer. De negentiger jaren kenden
voornamelijk veelvuldige oproepen voor wateroverlast en wespenverdelging. Het
decennium werd echter afgesloten met op vrijdag 3 november de tot heden
omvangrijkste blusverrichting ooit. Door een technisch defect, ontstond kort na
de middag brand bij het diepvriesbedrijf Dicogel. In minder dan geen tijd werd
het hectaren groot complex totaal vernield. Met versterking van Roeselare,
Hooglede, Izegem en Torhout en hulp van de Civiele Bescherming voor
watertoevoer, bestreden meer dan 100 brandweerlieden de enorme, tot tientallen
meters hoge vuurzee. Het nablussen duurde nog tot de zondagmiddag. Een paar
maanden voordien, eveneens in de diepvriesindustrie, had ter indijking van een
ammoniaklek, een grootschalige gaspakinterventie zich voorgedaan.
De nieuwe eeuw kondigde zich aan met de aanschaf van een nieuwe
tankwagen; het
gemeentebestuur kocht een tweedehands camionchassis aan en gaf een
brandweerconstructeur opdracht tot de opbouw van deze 8.000 lt inhoudende
tankwagen, uitgerust met pomp en waterkanon. Het ganse proces gebeurde in zeer
nauw overleg met een speciaal binnen het korps opgerichte werkgroep. De
eeuwwisseling zorgde ook voor een structurele hervorming. Op nationaal vlak
werden zones opgericht. De decennia lange centrumwerking van het centrum
Roeselare ging over in de hulpverleningszone Midden West-Vlaanderen, door de
gemeenteraad op 29 juni 2000 tot toetreding goedgekeurd. Tot het door de
zone uitgewerkt hulpverleningsakkoord zijn 14 korpsen actief.
Een nieuw markant gebeuren in de korpsgeschiedenis: eind september 2001 bereikte dienstchef Vandenbulcke de leeftijdsgrens van 60 jaar. Na 36 jaar bevelvoering van zijn 39 jarige loopbaan, werd de fakkel doorgegeven. Bij Collegebeslissing van 2 oktober, werd Lt Frans Bruneel als tijdelijk dienstchef aangesteld tot de machtsoverdracht aan de nieuwe door de gemeenteraad nog aan te stellen korpsoverste. Op 4 november 2001 werd met een plechtigheid op het marktplein, in aanwezigheid van de gemeenteraadsleden en bevelhebbers van naburige korpsen, Lt Deceuninck Roland als de nieuwe officier-dienstchef van brandweerdienst Staden officieel in functie gesteld. De nieuwe bevelvoerder was reeds sedert 1980 officier en postoverste van voorpost Westrozebeke; sedert 1983 was hij tevens preventieofficier in het korps. Aansluitend op voornoemde opruststelling diende krachtens het door de gemeenteraad op 9 december 1999 aangepast Organiek Reglement, in de hoofdpost een ander officier aangesteld. De benoeming van Ronny Degrave als onderluitenant werd per 21 maart 2002 bekrachtigd. Dat jaar typeerde zich enigszins ook door vele personeelsverschuivingen: ontslagnamen, aanstellingen en bevorderingen. De hoofdpost kende zijn eerste lid met het brevet technicus-brandvoorkoming: Toon Dumoulin. Voor het eerst ook in het korpsbestaan werd na een aanwervingperiode gekampt met een tekort aan kandidaten.
Voor het eerst ook participeerde de gemeenteoverheid in het aankoopprogramma van materieel gesubsidieerd door de staat, periode 2002-2007. Voorziening van twee halfzware autopompen, een auto-elevator, een snelle hulpwagen en twee motorpompen. Het totaalproject werd echter de grond ingeboord tengevolge beslissing in het provinciaal coördinatiecomité, waarbij alle subsidie naar zonaal versterkingsmaterieel werd toebedeeld. De twee motorpompen werden in 2003, door de gemeente in eigen beheer gefinancierd en ook twee nieuwe stroomgroepen werden aangekocht. Het bestuur zal zich tevens, binnen de geplande voorzieningen, engageren tot belangrijke voertuig investeringen.
In 2003 was brandweer Staden 135 jaar jong; daaromtrent waren geen specifieke herdenkingen ingericht, doch werd na verscheidene jaren bij de hoofdpost gedurende twee dagen een open deur georganiseerd. Bij deze gelegenheid werd de door Olt Degrave gecreëerde internet website “Brandweer Staden” (www.brandweerstaden.be) officieel geïntroduceerd. Van meet af aan lag het in de essentie deze ‘open-deur’ jaarlijks op hetzelfde tijdstip te herhalen, waarbij driejaarlijks grootse evenementen aan bod zouden komen.
Het gemeentebestuur besliste in 2004 tot de aankoop van een nieuwe materieelwagen, voorzien van het nieuwste hydraulisch reddingsmaterieel. De opdracht was gegeven om voorafgaand een grondige voorstudie uit te werken. De daartoe opgerichte werkgroep bezocht diverse brandweerkorpsen in vlaanderen en overhandigde haar eindrapport voor de opmaak van het definitief lastenboek, net voor de jaarwisseling eind 2005 aan het College. Inmiddels was binnen de zone Midden-West-Vlaanderen eveneens de toezegging gegeven tot de aanschaf met staatssubsidie van een autopomp voor brandweer Staden.
Bij de kazerne te Roeselare werd een brandoefenhuis gebouwd. Dit werd door WOBRA in het opleidingsprogramma opgenomen. Vanaf 2005 werden de persluchtdragers benevens de speciale adembeschermingsoefeningen ook daarheen gestuurd.
Eind maart 2005 was het einde van de actieve loopbaan van Adj korpssecretaris Gilbert Roose, gevolgd twee maanden later door die van 1°Sgt Noël Vandepoele. Naast de verscheidene aldus ontstane bevorderingen behaalde Olt Ronny Degrave het brevet technicus-brandvoorkoming met aanstelling tot luitenant. De dienst beschikt aldus over vier brandpreventionisten. De opvolging van het secretariaatswerk werd in handen gegeven van Johan Vanneste.
Eind oktober 2006 bereikte Lt Frans Bruneel de leeftijdsgrens van 60 jaar en werd hij vanaf 1 november opgevolgd door Lt Ronny Degrave als nieuwe postoverste van kazerne Staden.